|
Laag en (hoe) rond instellen wanneer, hoe, met welk doel (volgens de klassieke leer):
Zullen wij even op een rij zetten, welke bewegingsmechanismen en houdingen volgens de klassieke leer zinvol zijn om in de training toe te passen en welke niet als zinvol gezien of zelf als niet bevorderlijk of schadelijk worden bevonden: Dan hebben wij het wel over het laag instellen met rek in rug en hals zonder dat het paard in hals en nek ingekort of verbogen is – dus over een voorwaarts-neerwaartse houding in vergelijking met de werkhouding . De effecten op het bewegingsmechanisme en kwaliteit kan aan deze figuren duidelijk gezien worden. Ingekort, laag en rond, dus LDR komt niet voor in de klassieke leer, of er wordt uitdrukkelijk ervan afgeraden. (voror reden op die wij nog later te spreken komen)
|

|
 |
 |
|
Werkhouding klassiek
|
Voorwaarts neerwaarts- rek-houding klassiek |
DLR houding laag. Ingekort en opgerold rond (knik ) |
|
Voor de loodlijn |
Voor de loodlijn |
Achter de loodlijn |
Toepassing van houding voorwaarts neerwaarts
1.Aan het begin van de opleiding van het jonge paard
Een paard laag en met opgebolde rug is zinvol in de eerste fase van het aanrijden, om het paard de weg in de diepte te leren nemen en om zo steeds gemakkelijker met het ruitergewicht overweg te kunnen. Maar dit betekend het paard de houding van zijn hals (balanceerstang) zo ver te laten bepalen, dat hij niet permanent uit evenwicht komt. De houding moet in eerste instantie voortvloeien vanuit de actieve achterhand (hetgeen niet verwisselt mag worden met hard lopen).Op deze manier worden de strekkers (de spieren aan de kroep van het paard naar het spronggewricht toe) , die later de kracht voor het dragende werk moeten kunnen ontwikkelen voorbereid op dit werk. Door de passieve rek van het nekband wordt de schoft omhoog gehaald en kan de rug opbollen. Zo heeft het jonge paard geen pijn in zijn rug door het ruitergewicht ondanks, dat zijn halsspieren nog nite genoeg ontwikkeld zijn om daarna zelf deze part te kunnen overnemen.
2. Aan het begin van de warming-up van het gevorderde paard
is het zinvol om op deze manier in deze houding te laten “joggen” om tot losheid, activiteit van de rugspieren en uit ontspanning voortkomende activiteit te kunnen komen. De aerobe ATP-transport wordt op gang gebracht voordat het paard zijn spieren echt doelgericht begint in workuits te trainen. Qua lichaamshouding en lichaamsgeheugen en coördinatie loopt het paard dan quasi zijn gehele basisopleiding in de tien minuten of het kwartiertje van het opwarmen nogmaals door.
3. Voor de afwisseling met inspannend (vooral kracht-) training
in de dressuurhouding, om het paard weer te stretchen en te ontspannen, netzo als wij dat tijdens krachttraining ook steeds weer doen in het fitnesscentrum. Na een series van herhaalde workouts met een aantal te trainin spiergroepen volgt steeds stretchen uit de ontspanning om de desbetreffende spieren weer de kans op recovery te geven voor de volgende workout. I
4 Voor conditietraining ademhaling en bloedsomloop:
Indien het gaat om conditietraining is een uitrekhouding zeer wenselijk, omdat het paard vanuit deze houding in stap draf en galop bij opgebolde rug zonder schade door het ruitergewicht op te lopen uit de ontspanning werkende spieren aan een optimaal training van het ademhalings- en bloedsomloopsysteem toekomt.
5. Aan het eind van de training (controme werk)
om te controleren, of wij het paard daadwerkelijk goed over de rug gewerkt hebben. Volgt het paard dan de hand niet en bolt hij zijn rug nog duidelijker op, dan hebben wij hem daarvoor niet optimaal “over de rug gehad:” en moeten wij de volgende keer de training herzien (dus voor een betere en zinvolle variatie tussen inspannings- en stretchhouding zorgen of de duur en intensiteit van de workuits herzien) . Dit wordt in de klassieke leer vooral toegepast om te voorkomen, dat het paard te veel in de relatieve oprichting gewerkt wordt.
6. Aan het eind van de training (cooling down)
om het paard een optimale cooling down te bezorgen. Dit wordt in rustige draf gedaan. Het paard kan goed ademen, komt met rust en kan de melkzuur in zijn spieren eruit spoelen, die tijdens de trainingsfase als afvalproducten voor de energieaanlevering in de spieren zijn ontstaan.
In het voorwaarts neerwaarts rijden zijn verschillende variaties van bijna zakken tot helemaal met de neus over de grond gaan mogelijk Deze variaties worden aangepast op het paard om dat het gaat en de moment in de training doelgericht toegepast. Volgens de klassieke opvattingen zijn deze variaties in rek-houding voldoende, om het gehele training zinvol en efficiënt daarmee in te vullen. Men zoekt het meer in sportfysiologisch zinvolle variaties in workout onder systematisch gebruik van de oefeningen, het rijden van overgangen en tempowisselingen en halve ophoudingen, dan in het variëren van houdingen waarbij een verkeerde knik ontstaat of de neus bewust achter de loodlijn wordt gevraagd.
Toepassing van laag en iets “te” rond: (Niet echt wenselijk)
Houding van moderaat rond en laag (iets achter de loodlijn met knik bij dde derde halswervel maar met halslengte -zie tabel aanleuning) kan zeer beperkt - en indien - alleen zeer kort - toegepast worden. Dan uitsluitend indien een paard b.v. opgewonden of jolig raakt en zich niet voldoende op de ruiter kan concentreren. Zodra deze concentratie is bereikt moet onmiddellijk weer of in voorwaarts neerwaartse of de bij de opleidingsgraad of trainingsfase passende werkhouding gewerkt worden, omdat deze houding het goed werken van de achterhand niet bevordert en de knik bij de derde halswervel het paard onnodig belast..
Waarom is de klassieke leer zo tegen het rijden achter de loodlijn?
Om te kunnen begrijpen, waarom men volgens de "Reitlehre" en het wedstrijdreglement het achter de loodlijn rijden als verkeerd aanmerkt, moet men zich verdiepen in dat, wat in het paardenlichaam en met het bewegingsmechanisme van het paard gebeurd, zodra zijn neus (minder of meer) achter de loodlijn komt. Daarna bekijken we dan, welke invloed het klassieke voorwaarts neerwaarts rijden en rijden in klassiek verzamelde aanleuning op het ruggebruik hebben, en wat met het paardenrug en bewegingsmechanisme gebeurd, indien laag, rond en diep achter de loodlijn wordt gereden.
Anatomisch functionele argumenten:
Laat ons eerst maar de constructie en functie van de hals- en rugwervelkolom van het paard nader bekijken:

De halswervelkolom zelf is veel beweeglijker dan de rest van de wervelkolom. Het gewicht van hoofd en hals moet door deze bewegelijke “botconstructie” ondersteund worden. .Alle wervels worden door ligament en spieren op hun plek gehouden. Ligament is een biologisch materiaal dat weinig rekbaar is. Spieren zijn meer rekbaar dan ligament en zorgen door samenwerking van antagonisten (dus wederzijds elkaar ondersteunende spiergroepen) voor de beweging tussen de enkele onderdelen (gewrichten).
Waar zit de “foute knik”?
De eerste twee halswervels Atlas (violet getekend) en de tweede (Axis, blauw getekend) ) zijn de twee gewrichten, die de bewegelijkheid achter de nek van het paard mogelijk maken. Zij zijn vergelijkbaar met onze atlas en draaier, die het ja en nee- knikken en het draaien en zijwaarts bewegen van ons hoofd mogelijk maken. Wij lopen allen vertikaal en niet horizontaal, en wij hoeven het hoofd niet als balanceerstang met lange hals te gebruiken (daarvoor hebben wij onze armen) Ook blijft ons hoofd mestal direct boven onze wervelkolom zitten en wij moeten hem meestal niet actief in verschillende posities steunen.. En dar ligt het verschil met het paard. Bij het paard is het zo, dat tussen Atlas en Axis geen op en af-beweging mogelijk is. Dus het kan niet vertikaal geveerd worden.
Voor de vertikale veer wordt het gewricht tussen de 2e en 3e halswervel gebruikt. Dat is het gewricht,m waar men daarom volgens de klassieke leer geen extra knik (foute knik) wenst te hebben, om het niet nog extra te belasten.
Functie en houding halswervelkolom
De klassieke leer heeft het doel, om de natuurlijke bewegingen van het paard verder te ontwikkelen, en dat op een manier, zodat het ruitergewicht het paard als extra belasting niet schade toevoegt. Daarom oriënteert zich de klassieke leer aan de natuurlijke houding en beweging van het paard en veranderd die alleen zo ver, dat de mens ervoor zorgt, dat het paard geen slijtage of pijn ondervindt door het feit,m dat hij de natuurlijke bewegingen met een ruiter op zijn rug en op het moment en de manier uitvoert, die de ruiter aan hem voorstelt.
Daarom voorziet de klassieke leer niet voor houdingen of bewegingsmechanismen, die hij als onnatuurlijk of functioneel schadelijk of bezwarend voor het paard acht. Vanuit de klassieke leer vallen de posities met verkeerde knik en neus achter de loodlijn onder niet bevorderlijk tot bezwaarlijk en schadelijk en worden daarom bewust vermeden.
.
Voorstanders van de DLR/Rollkur-methode beweren daarentegen wel , dat de DLR houding de natuurlijke houding van het in het bijzonder grazende paard benaderd. Om dit te onderzoeken bekijken wij de halswervelkolom in verschillende houdingen. Hoe ziet de halswervelkolom uit in de houdingen a) voorwaarts neerwaarts of grazen, b) de natuurlijke halshouding van het paard en c) in een LDR/Rollkur houding ?
|
 |
 |
 |
|
grazen of voorwaarts neerwaats rijden |
natuurlijke houding paard |
RLD/Rollkur houding |
Het meest overeen met de natuurlijke houding van het grazende paard komt de voorwaarts neerwaartse houding, zoals wenselijk in de klassieke leer. De DLR-houding wijkt behoorlijk af van deze natuurlijke houding.
Om te voorkomen, dat het tot niet bevorderlijke houdingen of bewegingen in de halswervelkolom komt zorgt vooral het zogenoemde nekband (dat aan de schedel van het paard vastzit) voor de nodige stabiliteit. Verder zijn veel spieren (laat ze ons even voor de eenvoud bovenhalssspieren en onderhalsspieren noemen) om de halswervelkolom heen, die de bewegingen van de enkele wervels ( in feite gewrichten zijn) en houdingen van de wervels ter opzichte van elkaar regelen. De wervelkolom wordt dus door het nekband aan elkaar vastgehouden en door de verschillende lagen van spieren omgeven.
In de natuurlijke houdingen van het paard (de houdingen, die hij over lange tijdstippen in rust e n beweging inneemt), blijft het nekband (ligament) “ongebroken” en niet over-rekt en kan het zijn functie normaal vervullen.
Hetzelfde wordt nagestreefd in de wenselijke houdingen volgens de klassieke leer, die zich aan de natuur van het paard oriënteert. In de binnen de DLR/Rollkur-methode wel niet permanent, maar wel systematisch en herhaald toegepaste laag-diep-en rond-houding zit een duidelijk verschil met deze twee houdingen van het paard. Hier gaat men nadrukkelijk voor extra rek in het halsbereik. Helaas laten zich alleen spieren in dit bereik behoorlijk uitrekken. Het ligament is niet veel verder rekbaar, en zo moet het bij met opzet gecreëerde extreme houdingen tot extra druk op dit ligament komen. (Dit is een punt die door verschillende deskundigen en veterinairen als een van de kritiekpunten wordt opgenoemd (ondermeer K.Balkenhol, H.Müller. M.Plewa, G.Heuschmann Classical versus modern Dressage today october 2003).
|
 |
 |
|
Halswervelkolom en ondersteuning door spieren en nekband in klassiek gewenste houding voor de loodlijn |
halswervelkolom en ondersteuning door spieren en nekband met verkeerde knik en neus achter de loodlijn |
Nekband voor en achter de loodlijn:
In de gewenste klassieke (of ook FEI) houding (met neus voor de loodlijn) wordt geen poging gedaan dat nekband te over- rekken of te “breken”. of te over-rekken, waardoor ook de druk op de aanhechting van het nekband aan de schedel geringer is.
Komt het paard met de neus achter de loodlijn en ontstaat er de zogenoemde “valse knik” (die in de klassieke leer ongewenst is) bij de 2e en derde halswervel, zo ontstaat er een “breekpunt” voor het nekband. Hij drukt op de wervels en de wervels weerom oefenen druk op dat ligament (ligamentum nuchae ) uit. Het ligament zelf kan zich niet meer verder uitrekken en geeft de druk door aan de aanhechting tussen ligament en de schedel. Dat is de plek, waar bij dressuurpaarden in geval van overbelasting woekeringen geconstateerd worden. (Insertionsdesmomathien van de Funiculus nuchae).(Bronvermelding: ondermeer: H.Weiler: Insertionsdesmopathien beim Pferd, FN verlag, 2001)
Ook indien een paard met verkeerde knik en nek niet als hoogste punt loopt en dan ook nog ingekort in de hals is ontstaat een onwenselijke situatie "in het paard":

Bij het lopen met verkerde knik en ingekorte hals raken halswervelkolom en kaak elkaar bijnaa. De ademhaling wordt hierdoor moeilijker gemaakt.

Indien men bekijkt, wat er gebeurd in de positie van de wervels onderling en de positie van de halswervelkolom ten opzichte van de schedel van het paard (kaak) kan men zien, dat de halswervels niet meer optimaal gepositioneerd zijn. Hier kan eventuele slijtage ontstaan. Hetzelfde op de plekken, waar het nekband in de beweging op de wervels zelf drukt. Het kan een soortgelijke situatie ontstaan als in het geval van hoefkatrolontsteking. Mechanische druk en wrijving van ligament of banden op botjes in de beweging, die tot ontstekingen kunnen leiden.
In de klassieke houdingen en aanleuning met nek als hoogste punt en voldoende halslengte met neus voor de loodlijn (zoals in de eerdere tabel in het donkergele bereik genoemd) en de voorwaarts neerwaartse houding als rek-houding doen zich deze problemen in principe niet voor. In de houdingen met neus achter de loodlijn en over-rekt nekband wel. En in een extreme maat in de Rollkur/LDR-houding. Daar kan de kans op over-rekken nekband en woekeringen aanhechting functioneel verhoogt worden. (over de tot dusverre bekende gegevens en conclusies uit wetenschappelijk onderzoek zie>..wat de wetenschap wel of niet kan bewijzen...) Bedenken wij nog, dat in deze houding vaak ook nog in beweging en onder belasting van het ruitergewicht het paard links en rechts ingebogen (Flexen) wordt, kan men zich uitbeelden, wat hier aan onnatuurlijke en niet gewenste rek nekband en voor een gedeelte ongecontroleerde (want in beweging onder belasting plaatsvindende) positionering van de wervels ten opzichte van elkaar kan gebeuren. Een fysiotherapeut of ostheopat werkt normaalgesproken bij mens en paard vanuit de volledige ontspanning en kan steeds goed aanvoelen, waar eventuele functionele weerstand ontstaat. Voor een ruiter in de beweging met een of twee teugels en een stang en een paardenmond tussen lijkt het erg moeilijk om op een zinvolle manier iets tijdens het rijden zonder risico toe te kunnen passen, waarvoor een fysiotherapeut of ostheopat jaren studie en ervaring en volle concentratie op de cliënt en zijn eigen bewegingen nodig heeft.
|
 |
 |
 |
|
Hier wordt het nekband en de aanhechting extreem belast
De uitdrukking van het paard laat zien, dat hij dit niet als aangenaam ondervindt |
De houding van de halswervels ten opzichte van elkaar kan niet echt "natuurlijk" genoemd worden De uitdrukking van het paard laat zien, dat hij dit niet als aangenaam ondervindt
|
Flexen in de LDR houding met neus op de borst. Flexen wordt stilstaand en in de beweging (tijdens belasting) met ruitergewicht toegepast. |
Om ondermeer deze uitwerkingen te voorkomen wordt in de klassieke leer een “verkeerde knik”(de naam zegt het al) en de neus achter de loodlijn als niet wenselijk geacht. Er zijn nog meer redenen hiervoor die wij nog zullen behandelen.
|
 |
 |
 |
|
Een paard in een klassiek wenselijke aanleuning in stap met voldoende halslengte. De ruiter staat bij elke stap toe dat het paard de knikbeweging naar voren kan uitvoren. |
Een paard in klassiek wenselijke aanleuning tijdens verzameld werk (piaffe). De activiteit van de achterhand en hugtenbuiging bepaald de graad van oprichting. |
Een paard in klassiek wenselijke rekhouding. Rek in de halswervelkolom, nek niet beperkt, neus voor de loodlijn. Hier zijn verschillende variaties van neerwaarts mogelijk t/m/ neus op de grond. |
Spiergebruik voor en achter de loodlijn:
Laat ons verder bekijken wat de uitwerkingen van de klassiek gewenste houdingen en de Rollkur/LDR houding op de rug en halsspieren zijn, en hoe ze binnen de klassieke leer en de Rollkur/LDR methode gebruikt worden de training gebruik worden.
Verschil in bewegingsmechanisme:
Uit beide tabellen wordt duidelijk, dat vanuit de klassieke opvatting optimaal swingen over de rug heen (van oren tot staart) is alleen in het donkergele bereik mogelijk Deze houdingen geven ook houding en bewegingsmechanismen weer, die volgens de FEI-regels en in Nederland het nationale wedstrijdreglement gewenst worden tijdens het rijden van een dressuurproef, en die wij zouden moeten nastreven volgens de klassieke opvatting (of het lukt is weer een andere zaak). Het is ook duidelijk, dat het gebruik van de rug en van het achterbeen een andere zijn in de klassiek wenselijke houdingen en de houdingen achter de loodlijn en de LDR houding. Het achterbeen komt niet aan het dragen toe en de Hanken niet aan het zakken.
|
Conclusie
Het is dus zo gezien geen toeval of heeft niets met dictaat of etiquette te maken, dat deze beide houdingen (of beter bewegingsmechanismen) gewenst zijn in de dressuur, Zo kan het paard namelijk optimaal in evenwicht (balans) lopen met zijn ruiter op zijn rug, zijn spieren optimaal gebruiken en in balans blijven in alle oefeningen, die van hem worden gevraagd. ( zie hierover onder meer Udo Bùrger 1939/1987: Der Reiter formt das Pferd).
Het is dus ook inmiddels duidelijk geworden, dat het rijden van verzamelde en verzamelende oefeningen in de LDR houding niet direct iets bijdragen aan de verbetering van
- de spieropbouw, het krachtig maken en uitrekken van de in de oefeningen benodigde spiergroepen
- de coördinatie
- de bewegelijkheid
in de richting van de doelstellingen van de dressuur en de daarbij gewenste bewegingsmechanismen.
Waar zijn dan de effecten van te zoeken? Wat wordt dan hiermee beoogd? Hier heb ik tot op heden nog geen antwoord gekregen en heb daarom mijn eigen hypothese ontwikkeld.
( Over de psychische uitwerkingen van verschillende houdingen op het paard zie later)
|
|