In de geschiedenis van mens en paard had je altijd stromingen die het paard als enkel gebruiksvoorwerp (of voedselbron) bekeken, en andere die het paard als partner beschouwden. Dit is vandaag de dag onder paardenmensen nog steeds zo.
In de manier waarop je je paard huisvest, met hem omgaat en met hem traint, kun je duidelijk zien tot welke stroming je behoort.

Geen enkel ander dier heeft de geschiedenis van de mensheid zo beïnvloed als het paard. Waar de mens het paard eerst uitsluitend als eetbaar wild beschouwde, ontdekte hij weldra zijn kracht en snelheid, en begon hij het als nutsdier te gebruiken. Dat dit zo goed lukte, komt doordat het paard – als uitermate sociaal en op harmonie gericht kuddedier – zich steeds meer openstelde voor de samenwerking met de mens.
Dit ondanks zijn kracht en massa. Net als de hond heeft het zich aangepast, of werd het aangepast door selectieve fokkerij. Het paard hielp in de landbouw, was lastdier en stelde zijn snelheid in dienst van de jacht en machtsvertoon. Mensen die met paarden konden omgaan of ze konden 'temmen', stonden altijd al in hoog aanzien – en dat is vandaag de dag niet anders.
De verhouding tussen mens en paard is evenwel ambivalent: er zijn altijd mensen geweest die het paard als gelijkwaardige partner benaderen. Ze nodigen het uit om samen te werken op een manier die het paard recht doet, tot wederzijds genoegen en voordeel. Het viel deze mensen op dat paarden zich vaak heel 'edelmoedig' opstellen tegenover hun partner-berijder. Als er vertrouwen is, doet het paard zijn uiterste best om de mens te ondersteunen.
In een positieve relatie overwint het paard de angst die het als vluchtdier van nature heeft. Wanneer een dergelijk sociaal dier echter als een machine met een 'druk op de knop' moet functioneren, kan het zijn natuurlijke capaciteiten niet ontplooien. Dit betekent overigens niet dat we een paard moeten vermenselijken; het blijft een uniek dier met eigen behoeften.

Zonder ze te vermenselijken kunnen we met wetenschappelijk onderbouwde zekerheid aannemen dat paarden – net als andere sociale diersoorten – in staat zijn relaties aan te gaan, gevoelens te ervaren en binnen sociale interactie altruïstisch gedrag te vertonen. Paarden kunnen iets voor een ander doen zonder dat een directe beloning nodig is; de versterking van de binding en de wederzijdse vertrouwensband maakt het de moeite waard. Ze kunnen zulke relaties ook met niet-soortgenoten (zoals de mens) aangaan. Dit verklaart waarom paarden hun natuurlijke kuddegedrag (zoals het beschermen van kwetsbaren) kunnen uitbreiden naar de mens, en waarom ze zo feilloos aanvoelen hoe ze met kinderen of mensen met een beperking moeten omgaan.
Als de mens zich voor het paard openstelt, worden al zijn zintuigen aangesproken. Het paard is esthetisch, reukvol en voelt overal anders aan. Zijn gedrag is spannend en roept soms verwondering of angst op. Aanrakingen over en weer laten een dialoog ontstaan waarin emoties, lichaamsgevoel en innerlijke processen samenkomen.
Het bewegen met en op het paard doet een intensief beroep op de psychomotoriek. Door alle prikkels ontstaan nieuwe zenuwbanen die een weerslag hebben op onze hersenstructuur, neurologische functies, stofwisseling en hormoonhuishouding.