“Een individueel begeleidingstraject rondom angst en spanning bij HippoCampus.”
Petra heeft haar indrukken tijdens haar begeleidingstraject op papier gezet voor de hippische journaliste Claartje van Andel.
Onderwerp: Angst
Hallo Claartje,
Ik zou je op de hoogte houden van mijn (ik denk allerlaatste) poging om van mijn angst af te komen. Ik heb Ulrike gebeld en een afspraak gemaakt op 20 december, en ze zei direct dat ze me even op een van haar paarden wilde zien zitten. Ik ben erheen gegaan met het gevoel: “Laat alles maar over mij heen komen, ik zie wel wat er gebeurt.”
Het vroor een graad of drie, terwijl de weervrouw had geroepen dat het daar (in Soerendonk) zeker vijf graden boven nul zou worden. Dat is een slecht begin, want kou betekent fris, en fris betekent meer angst — sommige dingen zijn simpel. Maar ze zal vast een goed geïsoleerde binnenbak hebben, hoop ik. Op de mooie boerderij word ik ontzettend hartelijk door Ulrike ontvangen, en we gaan met een hete kop thee aan de praat. Waarom wil je eigenlijk paardrijden, en wat verwacht je er precies van? Goede vraag. Ik denk dat het een soort chemie is tussen mensen en paarden; waarom doet de een er niets voor en heeft de ander er alles voor over? Paardensmensen noemen dit “het virus”, en ga dat maar eens uitleggen! Al snel zitten we geanimeerd te praten over paarden, vrouwen (waarom toch altijd vrouwen? Er schijnen duizend studies naar te zijn) en angsten.
En dan zegt Ulrike: “Ik kan je angst nooit wegnemen.”
Oeps, dat is even slikken, want daarvoor was ik toch hier? Om een dosis moed of een pondje lef te kopen — jammer dan, want dat ligt hier dus niet op de plank! En dat is maar goed ook, want angst heb je gekregen om jezelf te beschermen; zonder zou levensgevaarlijk zijn. (Al blijf ik het stiekem toch een beetje jammer vinden.)
Ze heeft echter wel een ander idee: “Ik wil je leren omgaan met je angst en eerst eens kijken waar deze angst vandaan komt.”
Maar eerst moest ik maar even op Hannes gaan zitten. Hannes klinkt als een lobbes, zou dit een goed teken zijn? Ik ga hem samen met Noah, een stagiaire, uit de wei halen. En waar is die binnenbak nou? Noah helpt me snel uit de droom: die hebben ze niet, maar wel een buitenbak waar je — weer of geen weer — altijd in kunt rijden. Fijn hè? Nou! Drie graden onder nul, alles wit van het ijs. Dit geeft de burger absoluut geen moed. Tril ik nu van de kou of van de zenuwen? Hannes is een grote, in mijn ogen op dat moment megagrote Fries. “Ga maar poetsen en zadelen,” roept Ulrike, “dan kunnen jullie vast een beetje kennismaken.”
Dan gaan we samen naar de (buiten!)bak. De longeerinrichting wordt eraan gedaan en de teugels worden eraf gehaald — slik, want die heb ik altijd graag zelf in handen. Opstappen gaat goed. Blijven ademen, adem in en adem uit… Rustig stappen aan de longe en voelen wat er onder je gebeurt; voelen, dus niet kijken, en blijven ademen. Voor bange mensen is dit al aardig wat: een vreemde bak, buiten in deze kou, en ook nog eens een vreemd paard. Ulrike blijft praten en vertelt wat ik moet doen, en langzaam maar zeker ben ik niet meer met mijzelf bezig, maar met het paard. Dit is iets wat geleidelijk ontstaat.
Dan ook maar draven, en of ik niet zo achterover wil zitten?! Mijn hele paardrijleven hoor ik al: “Achterover! Achterover!” Ondertussen begint Hannes zich te ontspannen en wacht hij op mijn hulpen in plaats van op de aanwijzingen van Ulrike; hij heeft mij dus voor dit moment geaccepteerd als zijn berijder.
Ik begin ook te ontspannen en ontdek dat we langs een wei rijden waar paarden heel nieuwsgierig naar ons staan te kijken. Nou wiste ik wel dat er een wei langs de bak lag, maar ik was zo met mijzelf bezig dat ik ze even niet had opgemerkt. En dat is op zich raar, want ik zie normaal elk blaadje, elk vogeltje, en hoor elke auto, hond en zuchtje wind. Ik ben altijd met mijn omgeving bezig, omdat daar volgens mij ook altijd het grote gevaar vandaan komt. Ik heb eigenlijk genoten om weer even met een vrij gevoel op een paard te zitten.
We hebben afgesproken dat ik elke week terugkom, tien weken lang. De volgende keer is op 3 januari; 27 december zou ik eigenlijk ook gaan, maar voorhoofd-, bijholte- en oorontsteking zaten in de weg.
Groetjes, Petra
Ik rijd redelijk ontspannen naar Soerendonk en houd de thermometer goed in de gaten; deze loopt tot mijn vreugde, naarmate ik zuidelijker kom, steeds verder op tot zeven graden. Ik weet nu een beetje wat mij te wachten staat, inclusief Hannes, die toch echt een schofthoogte heeft van 1,70 meter. Ulrike wil weten of ik de afgelopen twee weken nog op mijn eigen paard heb gezeten — nee dus, omdat ik ziek ben geweest (wat een geldig excuus!). Hannes wordt al door Noah opgezadeld, en Ulrike neemt me mee naar haar houten paard om mijn en haar “zit” eens te bekijken en te voelen.
En dit zal voor vandaag zeker het belangrijkste moment worden! Ulrike gaat op het houten paard zitten en laat mij — terwijl zij op mijn hand gaat zitten (ze is gelukkig slank) — haar rug voelen, inclusief de spieren die ze gebruikt en haar zitbeenknobbels, die bij mij duidelijk op een heel andere plaats blijken te zitten!
Daarna is het de beurt aan mij. Ze laat mij voelen waar mijn zitbeenknobbels zich bevinden; hier heb ik dus werkelijk nog nooit op gezeten. Altijd moest ik achterover, mijn bekken kantelen en vooral aan de ‘luie stoel’ denken — niet dus! Nu begin ik te begrijpen hoe het werkt met die knobbels, hoewel het lastig is, want alles wat ik ooit heb geleerd mag ik nu overboord gooien. Ik denk dat al mijn vorige instructeurs dachten dat ik wél goed zat, en ikzelf ook. Maar nog nooit had iemand daadwerkelijk gevoeld hóé ik op een paard zat.
Nu gaan we het ook op Hannes proberen. Hij is echt heel groot. De bak heeft veel plassen, iets waar ik direct aan denk in de hoop dat het paard zijn benen stevig kan neerzetten (hij heeft er wel vier, maar toch, doemdenkertje als ik ben, zie ik hem al uitglijden). Maar ik mag eerst een paar rondjes om de bak lopen (voor mijn eigen spieren), en Hannes mag ook even warm lopen aan de longe. Met argusogen volg ik of hij zijn voeten wel stevig neerzet, maar ik kan hem niet op een misstap betrappen. Mijn hart bonkt inmiddels al aardig tegen mijn ribben — zal wel door het wandelen komen.
Ik mag opstappen (verdorie, weer geen teugels!), en Ulrike laat me op een correcte manier gaan zitten. Dat is moeilijker dan je denkt; iets afleren blijft nou eenmaal lastiger dan aanleren. We stappen rustig door de bak, ondertussen denkend aan de boogspanning (een soort borst vooruit), knieën los van het zadel, het been op de juiste plaats, tenen iets omhoog, en mijn rugspieren zo lang mogelijk maken — dan zit je dus automatisch op je zitbeenknobbels. Een groot voordeel: als je aan zoveel dingen tegelijk moet denken, adem je door zonder dat je er erg in hebt!
Maar dat duurt niet lang, want ik mag ook nog mijn beugels inleveren. Vloeken is niet netjes, maar zoiets schiet wel even door mijn hoofd. Ulrike laat me vervolgens met mijn handen verschillende oefeningen doen: links hoog, rechts achter, beide naar voren, links op je rug, rechts omhoog, enzovoort. Daar moet je behoorlijk je hoofd bij houden; links en rechts gaan al snel door elkaar, dus tijd om aan iets anders te denken heb je niet.
Ondertussen voel ik hoe Hannes onder mij reageert op mijn zit. Dan ook maar even draven — en dat is andere koek. Ik heb het gevoel dat ik afstuiter. Ik zit verschrikkelijk te ketsen. Snel terug naar de stap, alle voorwaarden weer op orde brengen en opnieuw proberen, tot het uiteindelijk een stuk beter gaat. Inmiddels (na een uur) heb ik flinke spierpijn en mag ik stoppen.
Ik krijg een aantal oefeningen mee voor thuis, zodat ik het spiertechnisch de volgende keer wat makkelijker krijg. We hebben ook nog naar een tape over de Spaanse Rijschool gekeken — niet naar de sprongen en trucjes, maar puur naar hun houding en de manier van rijden. Wat ik deze week heb geleerd: de randvoorwaarden moeten zo veel mogelijk in orde zijn, en met name je houding richting het paard (“hier ben ik en ik bepaal”), een goede zit en (het allerlastigste) het paard vertrouwen geven.
Het inleveren van zo’n (klein) stukje valt nog niet mee; de week is telkens zo voorbij, en ik wil het niet door elkaar halen, dus moet ik mijzelf dwingen om de knop om te zetten. Het weer zit mee: nul graden, maar droog — en dat blijft belangrijk voor mij. In de auto op weg naar Soerendonk realiseer ik me dat ik het toch elke keer weer flik om te gaan. In mijn omgeving wacht iedereen in spanning af of ik het volblijf houden (en durf te blijven gaan). Het is echter nog geen één keer in mijn opgekomen om niet te gaan, wat misschien ook wel aangeeft hoe graag ik dit wil. En eerlijk is eerlijk, vooralsnog gaat alles goed: Hannes is braaf en ik ook.
Ik ben wel een beetje bang dat ik nóg iets moet inleveren — mijn zadel ofzo? Dat is het laatste wat ik nog heb. Als ik aankom, staat Hannes al klaar, en dat is erg fijn, want mensen die bang zijn moeten niet te lang hoeven wachten op wat er komen gaat. Ik heb in het verleden wel eens les gehad van iemand die eigenlijk altijd te laat kwam; voor mij rampzalig. Het is zelfs wel eens gebeurd dat ik voordat de les überhaupt begon al zoveel spanning had opgebouwd, dat het paard als een gespannen veer onder mij liep, elke spier in mijn lijf verkrampt was en ik direct weer moest afstappen.
Dat betekende dat ik in dat korte kwartiertje al een hoeveelheid spierpijn had opgelopen die niet onderdeed voor de Elfstedentocht. Mensen die bang zijn, kennen dit ongetwijfeld: het totaal verkrampen van elke spier, waardoor er niets meer mogelijk is. Het paard raakt daardoor ook volledig in de stress, want dat verwacht een aanval uit een onbekende hoek — dat voelen ze feilloos aan! En als je dan eenmaal bent afstapt en je paard aan een normale (lees: niet-bange) ruiter geeft zodat hij nog even ontspannen kan worden uitgereden, tja, dan pas begint het echte drama. Daar sta je dan met je eigen paard, en je durft er niet meer op — lekker ding ben ik! Wat nu? Hoe moet dat morgen en overmorgen? Ik sta op een manege met mijn paard; hij moet absoluut zijn beweging hebben. Eén dagje rust is leuk, even longeren kan ook, maar dan? Je begint een ongelooflijke hekel aan jezelf te krijgen; je vindt jezelf stom (en nog veel meer, goed voor een flinke huilbui).
Maar vandaag hoef ik gelukkig niet te wachten; we gaan meteen naar de bak, die overal bevroren is — al weer iets waar ik niet blij mee ben. Alle randvoorwaarden moesten toch goed zijn? Hoe zit het dan met die bak?
Ulrike laat Hannes en mij los van elkaar warm lopen, en daarna helpt ze me erop. Ze maakt de beugels op maat, en ik word er al helemaal blij van — maar dat van korte duur, want na vijf minuten moet ik ze alweer uitdoen. Het is toch wat: je hebt geen teugels, en dan ben je al blij dat je tenminste nog beugels hebt! Toch leg ik me er al wat makkelijker bij neer, misschien omdat er met Ulrike nu eenmaal niet te onderhandelen valt. Dat heb ik met al mijn eerdere instructeurs wel gedaan (vandaag wil ik niet galopperen want ik ben zus of zo — bij mannelijke instructeurs riep ik vaak dat ik ongesteld was, want daar beginnen ze niet over), maar Ulrike is streng, en dat is maar goed ook. Nu legt zij de grenzen en anders doe ik het wel, ook al blijf ik mijn eigen baas.
Ulrike vindt dat ik het erg goed doe. Mijn nieuwe zit werkt daar duidelijk aan mee, en alles gaat zijn gangetje. En dan moet het gebeuren: Noah loopt ergens met emmers te rommelen (opzet?), laat er een vallen, en Hannes schrikt. Weg goede zit, weg goede houding! Ik grijp meteen naar de manen en zit met mijn neus tussen zijn oren, blokkeer volledig en verlies al mijn vertrouwen. Het ging nog wel zo lekker! Teleurstelling schiet door mij heen: ik ben dus werkelijk niets opgeschoten. Ulrike roept direct dat ik met mijn zit moet blijven rijden! Razendsnel zoek ik de juiste houding weer op, en binnen — ik schat — tien seconden loopt Hannes weer gewoon door, en hij ontspant zich na enkele seconden ook weer. Dus toch opgeschoten! Ik ben doorgereden en heb mijn aandacht van de emmer en de omgeving verplaatst naar Hannes: dat is een enorme overwinning! Ulrike is dik tevreden, en nog belangrijker: ik ook! Met een fantastisch gevoel rijd ik naar huis.
Het eerste waar ik elke dag aan denk als ik naar Ulrike rijd, is wederom de temperatuur. Dit keer heb ik geluk: het is zeker vijf graden boven nul, maar jammer genoeg waait het! En hoe zit het ook alweer met wind? Als de wind onder zijn staart komt… en hoe fris worden ze wel niet van de wind?
Ik merk — en eigenlijk wiste ik het stiekem al — als ik dingen opschrijf, hoe vaak ik mij laat beïnvloeden door omstandigheden. Ik denk ook altijd dat ik het aantrek: als ik ga rijden is het druk, koud, waait het, zitten er de verkeerde paarden in de bak (mijn eigen paard houdt niet van schimmels, dus ik ook niet als ik aan het rijden ben), moet er altijd iets gerepareerd worden met een boormachine of een ander lawaaimakend gereedschap, of moet de bak nodig geëgaliseerd worden. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat anderen daar ook last van hebben, alleen kunnen zij er kennelijk beter mee omgaan en hebben er (bijna) geen last van.
Ik durf nu tenminste te zeggen dat ik er bang van word, en mensen in mijn omgeving bekennen stuk voor stuk dat zij ook wel eens ontzettend bang zijn geweest — compleet met zweten, hartkloppingen, huilen en stoppen met rijden! Zelfs mensen van wie ik dacht dat ze nergens bang voor waren. Ik ben dus niet de enige! (Het is een poosje rijden, dus genoeg tijd voor dit soort diepe overpeinzingen.)
Hannes staat al klaar, en we gaan direct aan de slag: Hannes opwarmen terwijl ik ernaast loop. Als ik opstap, merk ik dat ik dit met veel meer vertrouwen doe dan de vorige keren. Hannes is wel groot, maar heeft in feite dezelfde maat als mijn eigen paard, ook al voelde dat eerst niet zo.
Mijn beugels op maat maken gaat ook een stuk rustiger. Geen teugels in je handen hebben en dan je been over het zadel leggen gaat nu een stuk makkelijker; voorheen werd ik daar altijd heel onzeker van, laat staan als ik helemaal geen beugels had. Daar is trouwens ook iets geks mee gebeurd merk ik deze week: ik kan mijn benen blijkbaar beter neerleggen zónder beugels dan mét beugels, en dat zit eigenlijk veel prettiger.
Ulrike laat mij zien dat je de beugels kunt “vangen” zonder je been te hoeven verleggen, zodat je gewoon kunt doorrijden alsof er niets is gebeurd — dus niet hengelen, maar vangen. Je houdt je been op de plaats en vanzelf komt de beugel naar je toe, en dit klopt echt! Ik moet deze week wel goed oefenen, want mijn enkels zijn behoorlijk stijf en dat maakt de truc wat lastiger. Maar als je je beugels dus even niet durft los te laten omdat je bang bent dat steuntje (wat eigenlijk niet mag) te moeten missen, geeft het een ontzettend rustig gevoel als je weet dat je ze heel gemakkelijk weer terugpakt zonder raar te gaan zitten hengelen.
Met mijn zit (op de juiste zitbeenknobbels) gaat het steeds beter. Doordat ik mij daardoor fysiek veel beter voel, krijg ik schijnbaar ook meer “plak” aan mijn billen! Ulrike is dik tevreden, vindt dat ik beter ga zitten waardoor ik een heel andere uitstraling krijg — en dat is precies de bedoeling: met een zelfverzekerde houding naar het paard toe treden. Zelf vind ik het ook steeds beter gaan!
Het is koud, vijf graden vries, maar het waait tenminste niet. Kijk, ik ga al voordelen zien in de dingen die er níét zijn! En eerlijk gezegd is de temperatuur ook niet echt belangrijk meer, in elk geval niet als ik bij Hannes ben. Nu moet je niet denken dat Hannes een ingeprogrammeerd robotpaard is; Ulrike vertelde mij dat hij tijdens een eerdere zitles behoorlijk had gebokt (slik!). Ik vraag me af wat ik dan zou doen, ik heb immers geen teugels en geen beugels!
Als ik in Soerendonk aankom, is alles wit van de sneeuw — telkens weer een nieuwe uitdaging om mee om te gaan. Ulrike voelde zich niet lekker en had al twee dagen op bed gelegen; lachend naar de sneeuw bood ik meteen aan om deze week maar over te slaan zodat ze lekker binnen kon blijven. Daar trapte ze natuurlijk niet in (wat niet wil zeggen dat ik me niet echt een beetje zorgen om haar maakte, ze zag er werkelijk niet florisant uit), maar goed, leuk geprobeerd!
Ik mag vandaag op Hannes, maar de volgende keer ga ik op Jonah — en je voelt hem waarschijnlijk al aankomen: zonder beugels, zonder teugels, en nu ook nog zonder zadel. En of ik dan ook maar meteen mijn rijlaarzen thuis wil laten? Straks eindig ik nog als Lady Godiva; ik hoef alleen mijn haar nog te laten groeien. Ik denk voorlopig maar alleen aan Hannes, het hier en nu en de sneeuw; die volgende keer zie ik dan wel weer.
Als we bezig zijn met warm lopen, zie ik dat Hannes continu struikelt. De sneeuw blijft onder zijn hoeven plakken, waardoor er een ijsklomp van wel tien centimeter hoog ontstaat. Als het te dik wordt, schuift hij dat er in één keer af — en dat gaat gepaard met flink gestruikel. Als ik ergens onzeker van word, is het wel een struikelend paard; mijn hart slaat dan over en het kost me altijd even tijd om mijn balans weer terug te vinden. Vandaag heb ik een heuse overdosis struikelen te verwerken gekregen! Na een stuk of tien keer lukte het me om in balans te blijven zitten en Hannes zelfs een beetje te helpen om zich met zijn ijsklompjes door de sneeuwmassa te worstelen.
Mooier kon eigenlijk niet: dat waar ik normaal altijd direct van schrik, kon ik nu achter elkaar door leren op te lossen, en het ging nog goed ook! We zijn hier vandaag niet al te lang mee bezig geweest, want voor Hannes is dit natuurlijk ook erg lastig lopen. Uiteraard bleven mijn houding en zit (zitbeenknobbels!) daarbij cruciaal. Nadat mijn vertrouwen met het struikelende paard was hersteld, kon ik zelfs weer om me heen kijken. Hier zat ik dan, in deze sprookjesachtige witte wereld op een groot gitzwart paard, en op het moment dat ik mij dit diep realiseer, gaat mijn hart sneller kloppen, adem ik diep in en weet ik het zeker: hier doe ik het voor! Ik zit heerlijk van binnen te genieten en doe bakken met energie op. Want alle bangerds weten: slecht of bang rijden kost bergen energie en daar baal je ontzettend van, maar van dit soort magische momenten krijg je een superdosis energie waarmee je de hele wereld aan kunt. Heerlijk!
Min zeven, hartstikke koud, en Hannes is wel braaf met die kou — maar hoe zit het met Jonah? Even voorstellen: Jonah is een Fjord (zucht van opluchting: wat is ze klein!), een beetje nieuwsgierig en erg vriendelijk, en ze houdt van snuffelen en knuffelen. We mogen samen naast elkaar warm lopen en moeten een gelijke tred houden — nou, dit kan ik!
Dan erop — en dat is voor zo’n houten hark als ik ben nog best lastig; ik mis nu heel erg mijn beugels. Maar Ulrike zegt dat ze werkelijk iedereen erop heeft gekregen, dus met mij moet het ook lukken. En warempel, het lukt! Wat is dat lekker warm, zo’n paardenrug. Direct besef ik dat ik me niet kan herinneren ooit op een paard te hebben gezeten zónder zadel — ik heb altijd zo jaloers naar kinderen gekeken die dat zomaar deden. Nooit eerder heb ik met mijn blote billen een paardenrug gevoeld; het is zo totaal anders dan in een zadel. Binnen vijf minuten ben ik er al een beetje aan gewend.
Dan kijkt Jonah op. Ik heb het geluid al gehoord, kijk naar Ulrike en zie aan haar blik dat zij het ook heeft opgemerkt: er rijdt een tractor de wei in en twee mannen beginnen wat rond te lopen. Voor mij is dit direct een klein alarmpje in mijn hoofd. Ulrike zegt dat ze alleen maar kijkt omdat ze wil weten wat de buren op dit tijdstip van het jaar in de wei moeten zoeken. Ik roep: “Ze gaan vast een boom omzagen — weet je nog, ik trek dit soort dingen altijd aan!” Boven ons klinkt plots een vreemd geluid in de lucht (een straaljager? MiG? bommenwerper?), en Ulrike roept dat dat allemaal wel meevalt (hoewel ze het geluid in de lucht zelf ook niet helemaal kan thuisbrengen). We zien in elk geval niets, en het geluid trekt gelukkig weer weg — maar de mannen in de wei blijven.
Ik moet van Ulrike aan Jonah het vertrouwen geven dat er echt helemaal niets aan de hand is. Naarmate de minuten verstrijken, gaat het steeds beter en wil ik niet meer op die mannen letten. En ja hoor, daar gaat de kettingzaag erin (zie ik Ulrike daar stiekem grinniken?). Zie je wel, dus toch! Jonah schijnt het gewend te zijn, dus dan zal ik er ook maar aan wennen — en het gaat steeds beter. Eerlijk is eerlijk, ik weet dat er ooit een moment komt dat het paard ergens van schrikt, alleen dát wil ik nu liever nog even niet meemaken.
Dan mag ik als een “blij boertje” gaan zitten (?) — Ulrike vertelt er nog een heel verhaal over de boer bij dat een beetje langs me heen gaat, want ik was niet zo heel blij. Ik moet met beide benen aan één kant gaan zitten en echt dwars; ik heb het gevoel dat ik er voortdurend vanaf glijd en moet elke seconde mijn balans weer zoeken. Na een poosje gaat het wat beter, maar ik vind dit behoorlijk moeilijk. Ulrike vindt dat ik er ook niet uitzie als een blije boer, en ik leg uit dat ik eerst maar eens probeer om er als een boer uit te zien, en daarna pas aan dat ‘blij zijn’ zal werken.
Als ik het redelijk (goed is overdreven) onder de knie heb, verzint Ulrike nog iets: met aan elke kant een been, maar dan wél achterstevoren! Ik vraag gekscherend of dit dan de houding van een dronken boer is? Als je nog nooit op een paard zonder zadel hebt gezeten en je moet dit ook nog doen, dan kun je daarna volgens mij werkelijk álles. Nou, daar zit ik dan als een dronken boer achterstevoren — dit is zo ontzettend raar! Het gaat erom dat je voelt hoe je paard loopt, zodat je kunt meegaan in de beweging. Achterstevoren zitten gaat me eigenlijk nog beter af dan met twee benen naar één kant. Daarna mag ik gaan liggen: mijn armen slaan om haar billen en mijn hoofd leg ik erbovenop. Dat is zó lekker, dat warme lijf zo dicht tegen me aan — en ik moet toegeven dat ik sowieso wel iets heb met paardenbillen, misschien omdat dat het enige deel van een paard is dat je lekker kunt omvatten. Nog een klein rondje stappen (veel te kort!) en dan weer omdraaien naar de gewone positie. Dat is heel gemakkelijk, want als ze je eerst alles hebben ontnomen, kan het daarna alleen maar meevallen! Ulrike merkt op dat ik heel vaak zeg dat mij dingen worden ontnomen, en dat klopt ergens wel; dit zijn nu eenmaal de dingen waar ik altijd krampachtig aan heb vastgehouden: mijn laarzen, zadel, teugels en zelfs de manen, en nu moet ik het ineens zonder al die hulpmiddelen doen. Het gaat steeds beter, en Ulrike en ik vonden dat het weer erg goed is gegaan. De volgende keer mogen de laarzen weer aan en gaan we weer op Hannes — erg erg erg stiekem toch wel een beetje jammer, want dit vond ik stiekem heel erg leuk!
Vandaag is Hannes weer aan de beurt — eigenlijk best jammer, want met Jonah vond ik het ook heerlijk, maar deze week geen blije boer meer, we gaan weer terug naar de realiteit. We hebben eerst wat gekletst en zijn daarna Hannes uit de wei gaan halen en op gaan zadelen. Man, wat blijft hij groot, zeker in vergelijking met Jonah!
Als we naar de bak lopen, kijk ik alvast rond: even checken, geen sneeuw, de paarden in de wei ernaast staan rustig, alles is rustig. Ulrike roept lachend dat ik me geen zorgen hoef te maken over de mannen die bomen aan het zagen zijn, want die zijn inmiddels klaar. Een tikje betrapt kijk ik snel de andere kant op — jakkes, ze merkt ook werkelijk álles.
Eerst weer samen de spieren losmaken: Hannes aan de longe en ik er al wapperend achteraan, en dan opstappen met en daarna uiteraard weer zonder teugels en beugels. Mijn zitbeenknobbels opzoeken, mijn rug lang maken, de benen vanuit de heup een beetje naar achteren leggen, hakken iets omlaag, voeten naar binnen draaien, schouders ontspannen… ik vergeet vast nog iets. Maar wonder boven wonder heb ik de goede houding al heel snel weer te pakken. Ik was nog zo bang dat ik in de twee weken dat ik er niet was geweest alles weer kwijt zou zijn en helemaal opnieuw zou moeten beginnen. Vroeger, als ik bijvoorbeeld op vakantie was geweest, moest ik al mijn opgebouwde vertrouwen en alles wat ik had geleerd telkens weer vanaf nul opbouwen; nu ga ik in plaats daarvan gewoon verder waar ik gebleven was!
In stap probeer ik zelf het tempo te bepalen, telkens een stukje brutaler te worden, en dat alleen met je zit — valt nog niet mee! Dan gaan we draven, iets wat voorheen bijna onmogelijk was omdat ik er domweg afstuiterde; nu gaat het steeds beter, en mijn benen blijven zowaar op de plek liggen waar ze horen in plaats van dat ik ze optrek om mijn evenwicht te zoeken. Eerst een half rondje, dan een hele, en alles corrigeren via je zit, want aan de teugels trekken is er niet bij! Ik ga het steeds leuker vinden. Ik draaf nu dus zonder beugels en zonder teugels, en ik vind het heerlijk — straks wil ik nooit meer met beugels rijden! Het zitten gaat beter, ik krijg er steeds meer controle over, en dat gevoel is geweldig. Ulrike had niet verwacht dat het al zo goed zou gaan, en ikzelf al helemaal niet. Ik zet hem nu uit zichzelf steeds weer aan in draf, puur omdat het zo leuk is en ik er bijna geen genoeg van kan krijgen. Dit is precies wat zo bepalend is: het gevoel van échte controle erover krijgen. Met een ongelooflijk voldaan gevoel gaan we Hannes afzadelen, waarna Ulrike hem weer naar de wei brengt. Wij zijn deze week alledrie dik tevreden (van Hannes weet ik het niet honderd procent zeker, maar ik ga er maar vanuit).
Het is heerlijk weer, de lente komt eraan, het wordt tien graden — mij hoor je niet klagen! Onderweg naar Soerendonk verheug ik me er echt op om op Hannes te rijden. Vorige week, toen het doorzitten ineens lukte, voelde ik me de koning te rijk. Op zo’n gevoel kun je makkelijk een week teren hoor; het is al zo lang geleden dat ik op een paard kon doorzitten zonder het gevoel te hebben dat ik eraf stuiterde, dat ik bijna was vergeten hoe dat ook al weer voelde. Ik hoop maar dat ik net als de vorige keer direct kan doorgaan waar ik gebleven was.
We beginnen meteen: Hannes uit de wei halen, poetsen en opzadelen. Het begint al een vaste gewoonte te worden: samen warm lopen. Met deze temperatuur gaat dat een stuk sneller dan de vorige keren toen het nog zo bitter koud was. Hup, erop! Ik leg uit automatisme mijn beugels al weg en loer niet eens meer of er toevallig nog teugels tevoorschijn komen — dat idee heb ik al lang losgelaten, en ik heb er ook geen moment om gevraagd.
Eerst weer proberen de stap in mijn eigen tempo te laten lopen, en dat valt vandaag toch tegen: zodra het even lukt, ben ik het ook even snel weer kwijt. Het duurt (voor mijn gevoel) lang voordat ik het weer te pakken heb, want het blijft natuurlijk een techniek. Mijn benen liggen vandaag ook niet lekker (ik trek ze toch weer op), en dat been vanuit de heup naar achteren leggen is lastiger dan gedacht (ik ben nu eenmaal gewoon een houten hark). Eerst moeten mijn schouders meer ontspannen (die trek ik ongemerkt ook weer op), dus mag ik weer even met de armen wijd, de heupen stilhouden en dan draaien met mijn bovenlichaam naar links en rechts — hier ben ik wel goed in (gelukkig, daar valt tenminste niets bij op te trekken!).
Als we gaan draven, wordt het nog lastiger met mijn benen en moet ik alles weer even resetten om dat goede zitgevoel terug te krijgen. Vorige week vond ik het makkelijk, en vandaag valt het gewoon tegen — hiermee blijkt maar weer eens dat je paard niet altijd hetzelfde is, maar dat je zelf vooral ook niet áltijd hetzelfde bent. Dan mag ik van Ulrike al die benen die ik maar niet op de goede plek krijg even vergeten en moet ik me meer concentreren op mijn bovenlijf en, het allerbelangrijkste, op mijn rugspieren. En dan gaat het ineens een stuk beter! Het gevoel van vorige week keert terug: het gevoel dat het wél kan, dat je kunt blijven zitten zonder allerlei hulpmiddelen. Ik was al even bang dat het de vorige keer een vergissing was geweest! Het gaat weer lekker, en ook de overgang naar de stap gaat al veel beter (vorige week donderde ik er bijna aan de voorkant af, nu kan ik netjes rechtop blijven zitten, zoals het hoort). Als we uitgestapt zijn (hoewel Hannes daar dan weer volkomen overspannen van raakt), mag hij terug naar de wei. Ik mag nog even met Ulrike mee naar het houten paard. Ze laat me zien hoe je vanuit je heupen je benen naar achteren kunt leggen zonder je benen op te trekken en je knieën te klemmen. Maar zelfs op het houten paard lukt het me niet goed; ik spartel als een vis op het droge om vanuit mijn heup één been op te tillen, laat staan allebeíé! Ulrike vindt dat ik daar inderdaad behoorlijk stijf ben (dank je de koekoek!). Dus krijg ik een officiële huiswerkopdracht mee om dit thuis te gaan oefenen. Dat gaan we dan ook doen; ik beloof plechtig al mijn oefeningen trouw te doen, want ik heb nu twee weken de tijd voordat de eerstvolgende keer is (4 april), aangezien ik helaas twee weken niet kan. In het begin dacht ik nog: “Lekker, dan hoef ik even niet,” maar nu balen we als een stekker, want ik wíl verder! Ik beloof bij deze dat ik megalenig uit die heupen tevoorschijn kom!
Vandaag heb ik een vriendin (en tevens trouwe steun en toeverlaat), Ger, meegenomen; zij zal foto’s maken tijdens al mijn verrichtingen. Ze kent me al jaren, weet precies wat mijn problemen zijn en is op de hoogte van al mijn ups en downs. Ze schiet al direct in de lach als we bij Ulrike aankomen en de buurman (ja hoor, jjaahooooor!) opnieuw de wilgen aan het knotten is — oftewel: bomen aan het zagen. Zagen is in Soerendonk blijkbaar een echte vrijdagklus, ook al volhoudt Ulrike dat het echt puur toeval is en dat Hannes daar inmiddels heus aan gewend is — dat zullen we nog wel eens zien!
Maar als we Hannes, opgezadeld en wel, langs de bomenzager leiden, kijkt hij even op zonder dat hij ook maar enige echte interesse toont in de werkzaamheden; hij is er dus inderdaad blijkbaar echt aan gewend. Dan gaan we aan de slag! Ik word door Ger vrolijk uitgelachen tijdens mijn warming-up en rek- en strekoefeningen, en natuurlijk staat ze — ondanks dat ik schreeuw: “Nu nog niet!” — flink foto’s te maken. Ook als ik samen met Ulrike mijn heupen naar buiten sta te draaien, laat ze ons niet met rust. Ulrike, die Hannes intussen warm laat lopen, vindt het allemaal prachtig.
Als we beiden warm zijn, stap ik op, leg braaf mijn beugels over het zadel en ga op zoek naar de juiste houding — iets wat elke keer weer even zoeken is, maar al snel wordt gevonden. Dan moet ik Hannes in stap zetten puur door het gebruik van mijn rugspieren, en het lukt nog ook! Bij Ger is het lachen inmiddels overgegaan in behoorlijke verbazing; ze weet werkelijk niet wat ze ziet! Waar Ulrike en ik inmiddels aan gewend zijn geraakt, is voor Ger vol aannemelijke magie. Ze roept dat ze mij nog nooit zo netjes heeft zien zitten, en dat het dag en nacht verschilt met wat zij als laatste van mij heeft meegemaakt. Ze verbaast zich erover dat ik, wanneer Hannes even struikelt, volkomen stoïcijns blijf zitten en gewoon doorrijd, terwijl ik voorheen altijd eerst volledig uit balans was en mijn evenwicht moest terugvinden. Hiervoor dank ik Hannes en zijn ijsklompjes!
Ze is ronduit enthousiast als ik Hannes vanuit mijn rugspieren laat aandraven — een prachtige, vloeiende overgang die ze mij nog nooit eerder heeft zien maken. Voor mij is dit ook heel erg leuk; dit is de eerste keer dat iemand die mij door en door kent mij ziet rijden ná de lessen bij Ulrike en ook daadwerkelijk een duidelijke progressie ziet. Zelf heb je daar bijna geen erg in, omdat het telkens kleine stapjes van verbetering zijn. Het gaat trouwens ook erg lekker; één keer raak ik mijn balans heel even kwijt, maar ik kan mezelf direct herstellen. Dit is de negende keer dat ik bij Ulrike ben geweest, en we gaan nu bekijken hoe we verder gaan. De volgende keer krijg ik waarschijnlijk mijn teugels en beugels weer terug (vind ik dat nu werkelijk leuk?!), en daarna zal ik het helemaal zelf moeten doen. Wel weer iets om naar uit te kijken, maar ik zal ook door moeten — en uiteindelijk straks ook weer op mijn eigen paard of op een ander paard gaan rijden, want dat is tenslotte het uiteindelijke doel. Het is een tijdrovende bezigheid op mijn vrije dag, maar daar tegenover staat dat ik zeker van plan ben om geregeld bij Ulrike terug te komen om de boel scherp te houden, zeker als ik weer eens aan mezelf ga twijfelen — alleen niet meer op wekelijkse basis. Ger heeft een fantastische dag gehad en begrijpt nu volkomen waarom ik naar Ulrike toe ga; ze is een bijzonder paardenmens! Ik zal de gemaakte foto’s erbij doen, hoewel die alleen voor eigen gebruik zijn, want op sommige sta ik erop als een olifant met een bad hair day!
Dit gaat de laatste keer worden. Eerlijk gezegd ben ik nerveuzer dan anders — waarom weet ik eigenlijk ook niet. Dit keer is mijn vriendin Ger weer meegegaan, maar nu om te filmen, zodat ik thuis nog eens naar de stem en de aanwijzingen van Ulrike kan luisteren als ik dat nodig heb. Het is in elk geval prachtig weer; na al die koude keren is dat ook wel eens leuk.
We gaan Hannes met z’n drieën uit de wei halen. Ondertussen vertelt Ulrike dat haar kippen onlangs door iemand zijn losgelaten en zijn geruimd — wat een verdriet! Wij komen uit Almere en daar sta je daar niet zo bij stil; het zijn daar eerder beelden op het journaal, maar als je ineens iemand tegenkomt om wie het haar eigen huisdieren betreft, komt dat toch wel heel hard binnen. We gaan Hannes poetsen en opzadelen, en er is geen buurman die staat te zagen, geen Noah (die alweer naar school is omdat haar stage erop zit) die met emmers rondrent en herrie maakt. Er is dus werkelijk helemaal niets waar ik me nu zorgen over hoef te maken.
Misschien is het puur omdat het de laatste keer is, ik weet het niet, maar ik heb er ongelooflijk veel moeite mee: het zitten lukt ineens van geen meter meer en mijn benen willen absoluut niet op de juiste plek vallen. Ulrike snapt het gelukkig allemaal wel: het is de laatste keer en dat brengt spanning met zich mee — maar ondanks dat blijft ze volledig onverbiddelijk. Op het moment dat ik het echt wil opgeven, wordt ze (niet echt uit boosheid, maar toch…) streng en roept ze dat ik absoluut niet mag stoppen (zie ik Ger daar in een deuk liggen?). Dit was vroeger altijd het ultieme moment voor mij om er de brui aan te geven, en dat vertelt mijn vriendin fijntjes aan Ulrike (fijne vriendin hè?).
Waarschijnlijk hierdoor extra aangespoord, gaat Ulrike nog harder haar best doen om mij door te laten gaan — wat haar natuurlijk ook lukt. Ze blijft maar doorgaan; ze wil niet stoppen voordat ik het weer helemaal voor elkaar heb, en dat valt vandaag vies tegen. Ik raak uit balans en denk dat ik helemaal niets heb geleerd. Totdat het kwartje ineens weer valt en ik de basis weet terug te vinden… Ik heb het gevoel alsof ik 500 kilometer door de woestijn heb gereden; alles doet zeer en ik voel me gebroken, maar het resultaat mag er zijn: alles staat weer op zijn plek. Mijn zit is weer goed, mijn benen liggen weer waar ze horen te liggen. Ulrike wilde mij absoluut niet eerder laten stoppen (en dat heb ik gewend!).
Nadat we Hannes hebben afgezadeld, gaan we nog even rustig napraten over hoe nu verder. Ik heb aangegeven dat ik eerst op een manegepaard wil gaan beginnen; mijn eigen paard is toch nog net iets te heftig voor mij, zeker met het dunne laagje vertrouwen dat ik tot nu toe heb opgebouwd. Ik beloof plechtig dat ik binnenkort een les ga inplannen, en Ger vindt dat ook een uitstekend plan en zal daar (uiteraard) streng op toezien. Dag Ulrike, tot van de zomer, en ontzettend bedankt voor al je geduld en toewijding met en voor mij! En dankjewel Claartje van Andel voor het gouden adres, anders was ik allang gestopt. Natuurlijk ook Ger enorm bedankt voor alle support, belangstelling en het maken van de foto’s en de film.
Op weg naar mijn manegeles, met mijn cap onder mijn arm, meld ik me keurig om 21:00 uur bij Ben, de instructeur (die mij erg goed kent en zelf werkelijk geen greintje angst op een paard kent, waardoor hij mij dus eigenlijk totaal niet begrijpt). Hij kijkt enigszins verbaasd, alsof hij mij hier allang niet meer had verwacht, geeft me een paard en roept er vrolijk achteraan: “Maar we gaan wel naar buiten hoor!”
Nu kan ik twee dingen doen: zwak afdruipen en de eerste twee weken niet meer in de spiegel durven kijken, of opstappen en maar zien wat er de helft van komt. Ietwat onder druk gezet door die fijne vriendinnen heb ik voor het laatste gekozen. Cap op, handschoenen aan, en gaan. Ik neem Eros, die ik mag overnemen van een andere mevrouw die mij verzekert dat Eros het allerbraafste paard van de stal is — alleen op de terugweg wil hij nog wel eens erg graag naar huis. Ik zal er rekening mee houden (alleen hóé, dat weet ik nog niet precies).
Met een kurkdroge mond in een rij naar buiten, en of we wel willen blijven aansluiten. Stappen in de avond; het bos ruikt precies zoals het hoort te ruiken — naar bos in de avond. Het is prachtig weer, de avond is warm en loom, en dat maakt dat ik me een beetje begin te ontspannen. Het paard is inderdaad superbraaf — hulde aan Eros! Ik begin eindelijk echt te genieten. Dan kijk ik op mijn horloge: we zijn al dertig minuten onderweg, en iedereen die wel eens een manegeles heeft gereden, weet dat het rond dit punt tijd is voor de galop.
Op de veertigste minuut was het zover: ik voelde het paard onder mij aanspannen en dacht: “O god, dit gaat niet goed,” dus hield ik het paard direct tegen. Eros dacht daar anders over: “Ja daag, ik wil bij de groep blijven!” Weg controle (voor zover ik die al had), weg vertrouwen. Het paard stond onder mij te dansen (gelijk met de teugel helemaal op de achterhand — wat een onuitputtelijke voorwaartse drang al niet kan doen!!). Ben roept: “Peet, geef teugel!”
Ik: “Ja maar dat durf ik niet!”
Ben: “Luister nou naar me!”
Jajaja, ik weet best wat ik móét doen, maar ik dúrf niet. Ben roept: “Aansluiten, en nu een beetje snel.” Ik bedenk ondertussen een heel leuk scheldwoord voor hem in gedachten en werp hem mijn allerkwaadste blik toe — ook al heeft dat totaal geen zin omdat hij 75 meter verderop staat en het effect van die afstand nogal te wensen overlaat. De manegeklanten die achter mij rijden, roepen behulpzaam: “Als je het niet wilt, moet je het ook niet doen hoor!” Daardoor gesterkt roep ik naar Ben dat ik NIET ga galopperen.
Hij gaat daarop verder in draf, en geeft daarmee te kennen dat ik heb gewonnen — alleen zit ik nu wel even met een aansluitprobleem, omdat Eros er in galop achteraan wil. Als ik (half dravend, half galoperend) weer ben aangesloten, verloopt de rit verder prima en zit ik alsnog waanzinnig te genieten. Voor mij is dit hoe dan ook weer een eerste geslaagde stap in de richting van het zelfstandig paardrijden.
Volgende week woensdag rijd ik gewoon weer in de les mee, maar niet wanneer ze naar buiten gaan (de rest wil immers wel galopperen, en die moeten niet de dupe worden van mijn angsten). Ik heb ze na afloop van de les getrakteerd op een drankje ter compensatie van de gemiste galoppade, en Ben de volgende dag een sms’je gestuurd met een bedankje voor zijn geduld, want ik weet dat hij er nog steeds geen sikkepit van begrijpt. Ik heb in elk geval voor volgende week vrijdag een privéles bij Ben geboekt, en hij krijgt dit geschreven verslag te lezen zodat hij iets meer inzicht krijgt in mij en mijn belevingswereld rondom het paardrijden. Misschien helpt het ook wel voor andere mensen in zijn les die in stilte net zo bang zijn, maar toch zo graag willen rijden!